De rus

Synopsis: Marco Hendriks, een jonge Amsterdammer, wordt politieagent in Amsterdam en belandt in het criminele milieu. Hij wordt benaderd door John Jacobs, de chef van de Criminele Inlichtingendienst (CID), die hem laat infiltreren in de Joegoslavische maffia. Jacobs verzamelt belastende informatie tegen hooggeplaatste figuren en krijgt steeds meer macht in de politieorganisatie. Op een gegeven moment vindt commissaris Edwin Bloem, een vriend van Jacobs, het welletjes. Jacobs is een gevaar voor de rechtsorde en moet worden gestopt. Maar het lijkt te laat te zijn. Door zijn terreurbewind is Jacobs oppermachtig.

0Likes
0Comments
1124Views
AA

16. Het tijdperk van de afpersing

Het was bijna Kerstmis en Marco Hendriks ging gebukt onder een ernstige depressie. Zijn vrouw Marcia was onlangs bevallen van een zoon, en het kon zijn kind niet zijn want hij zat al sinds 24 april 1992 vast. Marco had van diverse mensen gehoord dat het kind Milos heette en dat Paul Gavrilovic de vader was. Marcia en Paul leefden al meer dan een jaar samen “als man en vrouw”, vertelde een medegevangene. Marco was enorm teleurgesteld, woedend ook. Tijdens haar bezoek aan de EBI had ze nooit iets laten merken van een relatie met Paul Gavrilovic, laat staan dat ze zwanger van hem was. En dan Paul, die hem had beloofd dat hij voor Marcia en Suzanne zou zorgen. Wat een judas! En zijn dochter Suzanne woonde bij die klootzak en noemde hem vader!

“Marco, er gebeuren rare dingen in de stad,” zei commissaris Edwin Bloem tegen Marco. De beide mannen bevonden zich een afluistervrije verhoorkamer in de Extra Beveiligde Inrichting te Vught. “Vertel mij wat,” antwoordde Marco mat. Hij kon in de EBI geen radio luisteren of TV kijken, maar had zijdelings iets over het tumult ten gevolge van het parlementaire onderzoek gehoord. “Het rommelt in de politieorganisatie,” zei Bloem. “Er gaat heel wat veranderen, en ik heb jouw hulp nodig om John Jacobs ter verantwoording te roepen. John is te ver gegaan, hij is ontspoord.” “Pfff!” zei Marco. “Heeft u enig idee waar John Jacobs toe in staat is?” “Dat heb ik, Marco, en om hem een halt toe te roepen heb ik je hulp nodig. Wees gerust, ik werk niet alleen. Ik heb belangrijke mensen achter mij staan.” “Commissaris, u weet niet wat u van mij vraagt! Alleen al het feit dat ik hier met u zit te praten kan mijn einde betekenen!”

Marco had veel respect voor commissaris Bloem, maar hier moest hij over nadenken. In de dagen na het bezoek van Bloem realiseerde hij zich dat hij zich geen zorgen meer hoefde te maken om zijn gezin. Zijn vrouw en zijn maatje Paul hadden hem verraden, John Jacobs had hem verraden, Luka Pukanic zat in Belgrado, en het zou nog 18 jaar duren voordat hij weer vrij zou zijn. Een schier oneindige tijd; hij zou dan 56 jaar zijn. Wat had hij te verliezen? Alleen zijn leven, en dat leven stelde niets voor. Een betere manier om “zelfmoord” te plegen in de EBI kon hij niet bedenken.

Rob de Rue zat met een groot probleem. Door de parlementaire enquête werd de onderste steen boven gehaald en de kans bestond dat ook hij onder ede zou worden gehoord. Hoe was het mogelijk dat een reclasseringsambtenaar jarenlang undercover agenten had gerund voor de Amsterdamse recherche en de CID? Hij zou heel wat uit te leggen hebben en bovendien zou hij zijn baan kwijt zijn. Mogelijk zou zelfs tot gevangenisstraf worden veroordeeld. Rob had geen andere keus dan samen te werken met commissaris Bloem, die in het geheim bezig was bewijsmateriaal tegen John Jacobs te verzamelen.

Hoofdinspecteur John Jacobs van de CIE was strijdvaardig. Hij had zijn vertrouwelingen John Kratt en Ruud Boeket, waarmee hij de DEA opleiding in Amerika had gevolgd, opdracht gegeven hun mond dicht te houden over alles wat zich de afgelopen tien jaar op Narcotica en de CID had afgespeeld. Jacobs zette de een na de andere hoge functionaris onder druk om hetzelfde te doen en er zorg voor te dragen dat de parlementaire commissie hem met rust liet. De geheimen die hij in de loop der jaren had verzameld, inclusief documenten, foto’s en geluidsopnamen, kwamen hem nu goed van pas.

Karel Lauffer, samen met Nelis Willemsen de leiders van de bende die in 1983 biermagnaat Boris Bentholt had ontvoerd, kocht in 1994 de beroemde Amsterdamse nachtclub Campo Allegre aan de Oudezijds Voorburgwal, via zijn stroman Reint Oudorp. Van het losgeld van de ontvoering was 8 miljoen nooit gevonden, en dat wilde Lauffer graag zo houden. Nadat hij gebrouilleerd was geraakt met zijn oude maatje Nelis Willemsen, zocht Lauffer toenadering tot zijn jeugdvrienden Roy Lommers en Freddie Olivier, wier bende “de Denkers” berucht was voor haar gewelddadigheid. Reint Oudorp werd al snel buiten spel gezet toen Lauffer hem niet meer nodig had. Karel Lauffer was op zoek naar een manier om zijn geld legaal – of semi-legaal – voor hem te laten werken en kreeg contact met vastgoedmagnaat Warner de Leeuw, die zijn financieel adviseur werd. De Leeuw stond bekend als de bankier va de onderwereld, en Lauffer was zijn sterke arm, de man die De Leeuw’s woord kon bekrachtigen. In die hoedanigheid verzamelde Lauffer genoeg informatie over De Leeuw, feiten die het daglicht niet konden verdragen, om De Leeuw af te persen, uiteraard op een “beschaafde” manier. Karel Lauffer was tenslotte geen gangster meer. Via Lauffer was Warner de Leeuw betrokken bij omvangrijke hasjdeals, en omdat het bewijs niet overtuigend was kwam De Leeuw onder strafvervolging uit door een miljoen gulden boete te betalen. Uiteraard bleven Lauffer’s activiteiten niet onopgemerkt. Zijn grootste vijand binnen het Amsterdamse politiekorps was hoofdinspecteur John Jacobs van de CIE (“sectie stiekem”). Door op de bende van Karel Lauffer te focussen had John Jacobs een troef in handen die zijn weerga in de Nederlandse samenleving niet kende. Die was ernstig geschokt toen biermagnaat Boris Bentholt werd ontvoerd en de daders na tien jaar weer op straat stonden, en de machtige top-ondernemers van het land, waaronder niet in de laatste plaats Bentholt zelf, stelden alles in het werk om hoofdinspecteur John Jacobs in de gelegenheid te stellen zijn levenstaak – het achter de tralies brengen van de daders, en deze keer voorgoed – te vervullen. Tijdens de parlementaire enquête trokken deze invloedrijke multimiljonairs aan diverse politieke touwtjes om hun wensen kracht bij te zetten, uiteraard anoniem, want ook zij waren hun leven niet zeker.

Op advies van commissaris Bloem nam Marco Hendriks zijn advocaat Bennie Frei in vertrouwen en vertelde hij hem alles wat hij wist over John Jacobs. Frei had van alles verwacht, maar dit overtrof zijn stoutste verwachtingen. En zo legde hij op 13 januari 1995 het “dossier Jacobs” aan, met als eerste stuk de volledige verklaring van Marco Hendriks. Zonder er ook maar een cent voor te ontvangen richtte Bennie Frei zich op de aanvulling van het dossier met informatie die t.z.t. de aanklacht tegen Jacobs kon onderbouwen.

Binnen het politieapparaat had commissaris Edwin Bloem zichzelf op een zijspoor gezet om buiten de invloedsfeer van John Jacobs te blijven, waardoor die niet langer op Bloem’s steun kon rekenen. CIE-officier Franciscus Arvidi was met vervroegd pensioen gegaan in de hoop dat de parlementaire commissie hem niet zou oproepen. Anne Derksen, de maîtresse van Bloem, was niet langer in functie als minister van Justitie en haar opvolgster was een voorstander van transparantie en reorganisatie van het politieapparaat, dus dat schoot ook niet op. Met behulp van politieke vriendjes slaagde Jacobs er echter in drie medestanders op het Openbaar Ministerie te laten benoemen als CIE-officier in Amsterdam: Cor Welmoed, Frans Klijn en Bram Geraerds. Cor Welmoed, een gereformeerde rakker van de oude stempel die als jurist was afgestudeerd op het onderwerp “strafbare godslastering”, was gespecialiseerd in zware criminaliteit. John Jacobs had in de loop der jaren honderden zware criminelen achter de deuren doen belanden, en hoe controversieel zijn methoden ook mochten zijn, zijn methoden waren effectief en dat verdiende de loyaliteit van het O.M. Frans Klijn, een voormalige belastingambtenaar uit de Achterhoek, was al geruime tijd een trouwe volgeling van Nederland’s goeroe op het gebied van de moderne criminaliteitsbestrijding: John Jacobs. Klijn hing aan Jacob’s lippen, en Jacobs kon in zijn ogen niets verkeerds doen. Formeel was Bram Geraerds, “de onderkoning van justitie”, de CIE-officier die John Jacobs moest aansturen, maar iedereen die Geraerds en Jacobs kende wist dat het omgekeerde het geval was. Ondanks het feit dat Geraerds al jaren netjes getrouwd was met zijn vrouw, stond hij er in bepaalde kringen om bekend dat hij homoseksueel was, met een voorliefde voor jonge jongens. John Jacobs, die een hekel aan “flikkers” had, kon optimaal gebruik maken van die informatie.

Hoofdinspecteur John Jacobs was erin geslaagd om na de arrestatie van Marco Hendriks een nieuwe informant in de Joegoslavische maffia te recruteren door hem zwaar onder druk te zetten: de 44-jarige Vladimir Lukovic. Maar Silviu Ungureanu, Luka Pukanic’ plaatsvervanger in Amsterdam, kwam erachter en liet Lukovic op 29 juli 1995 op klaarlichte dag in de Derde Oosterparkstraat te Amsterdam vermoorden. Het was een tegenslag waar Jacobs niet op had gerekend, en hij was bloedsjagrijnig.

Ondanks zijn pogingen om dit te voorkomen kreeg Jacobs een oproep om op 18 september 1995 om half toen ’s ochtends te worden gehoord door de parlementaire commissie, onder voorzitterschap van politicus en journalist Henk Oosting. Jacobs liet onmiddellijk een collega van Bureau Interne Onderzoeken (BIO) bij zich komen om een aantal “hypothetische gevallen” door te nemen. “Stel dat wij een ex-politieman als infiltrant runnen, is hij dan formeel een politie-infiltrant?” vroeg Jacobs. “Nee, zodra hij geen formeel dienstverband meer bij de politie heeft, is hij een burger-infiltrant.” “Hoe kun je er, buiten de CIE-organisatie om, achter komen of er door de CIE gebruik wordt gemaakt van informanten en infiltranten?” “Op twee manieren: wanneer er melding van is gemaakt in processen-verbaal en wanneer er betalingen zijn verricht via Bureau Financieel Economische Bedrijfsvoering (FEB).” John Jacobs was van mening dat elke zichzelf respecterende undercover agent zich binnen de criminele organisatie waarin hij werkzaam was zelf moest zien te bedruipen, dus van betaling was doorgaans geen sprake, en in voorkomende gevallen maakte hij gebruik van het “potje onvoorzien”, waarin zich altijd wel een paar ton bevond. Dit geld, waarvan de korpsleiding niet op de hoogte was, was in beslag genomen en afkomstig van misdrijven. In processen-verbaal werd door zijn CID nooit melding gemaakt van infiltranten, dus hij kon met een gerust hart naar de parlementaire commissie gaan.

Een bloemlezing uit het verhoor van John Jacobs: De voorzitter: “Zes jaar geleden, toen u uw stuk schreef over de problemen bij de Nederlandse recherche, schreef u: het komt voor dat informanten c.q. infiltranten onder regie van de politie en Justitie criminele werkzaamheden verrichten en dat zij daarvoor beloond worden in de vorm van een partij verdovende middelen, hetgeen zij ten eigen bate mogen verkopen; een en ander gedoogd door politie en Justitie. Dat is toch eigenlijk doorleveren in het klein?” De heer Jacobs: “Ik heb toch niet gezegd dat wij dat zo gedaan hebben?” De voorzitter: “Dat heeft u nooit gedaan?” De heer Jacobs: “Dat hebben wij nooit gedaan.” De voorzitter: “U heeft nooit een kilo meegegeven?” De heer Jacobs: “Nee.” De voorzitter: “Dat weet u helemaal zeker?” De heer Jacobs: “Ja.” De voorzitter: “Een informant heeft van u nooit iets mogen verkopen?” De heer Jacobs: “Nooit verkopen, dat klopt.” De voorzitter: “Een informant heeft van u nooit iets mogen houden?” De heer Jacobs: “Als het... Wat bedoelt u met "houden"?” De voorzitter: “Toch wel? Van zijn criminele winst?” De heer Jacobs: “Nee, nee.” De voorzitter: “Dat weet u helemaal zeker?” De heer Jacobs: “Dat weet ik helemaal zeker, ja.” De voorzitter: “Van wanneer af weet u dat helemaal zeker?” De heer Jacobs: “Wij hebben altijd de stelling ingenomen, al vanaf 1978, dat informanten geen zaken mogen verkopen en zeker niet winsten houden.” De voorzitter: “Mogen informanten verder strafbare feiten plegen waarvoor zij betaald worden door criminelen?” De heer Jacobs: “Pardon?” De voorzitter: “Mogen informanten dus nooit een strafbaar feit bij u plegen?” De heer Jacobs: “Niet onder onze regie.” De voorzitter: “Mogen zij het misschien dan wel onder regie van de tactische recherche?” De heer Jacobs: “Nee.” De voorzitter: “Hoe komt het dan dat wij toch kennis hebben van twee gevallen waarbij weer een deel is doorgeleverd, ook in Amsterdam? Er moeten meerdere andere zaken zijn waarbij een gedeelte van de heroïne niet is onderschept.” De heer Jacobs: “Van een heroïnezaak weet ik niets.” De voorzitter: “Die komt ook voor in de doorlichting. Maar daar weet u niets van?” De heer Jacobs: “Nee.” De voorzitter: “Komt er nog wel een informant bij u binnen, een nieuwe?” De heer Jacobs: “Er zijn er genoeg.” De voorzitter: “Je moet in Amsterdam dus blijkbaar minder voor elkaar krijgen dan elders in Nederland. U zegt namelijk dat u de grenzen scherper stelt. Waarom zou ik dan nog informant worden in Amsterdam? Dan kan ik toch veel beter naar een andere plek gaan in Nederland?” De heer Jacobs: “Dat zou u aan die informanten moeten vragen. Ik weet het niet. Ze komen nog steeds.” De voorzitter: “Op welk motief?” De heer Jacobs: “Motieven zijn er vele: wraak, concurrentiebeding, dollartekens in de ogen. Zo kan ik er een aantal noemen.” De voorzitter: “Zijn er gevolgen te merken in die zin dat er minder mensen naar u toe komen nu er blijkbaar minder met ze af te spreken is?” De heer Jacobs: “Nee.” De voorzitter: “Hoeveel van de grote zaken worden in Amsterdam gestart op basis van CIE-informatie?” De heer Jacobs: “Vrijwel alle.” De voorzitter: “Heeft u politiemensen als informant in uw bestand?” De heer Jacobs: “In het verleden?” De voorzitter: “Nu.” De heer Jacobs: “Nee, tenzij een politieman die in de straat X woont naast de crimineel Y in zijn privé-tijd iets ziet. Als uit zou komen dat hij dat verraden heeft, kan hij problemen krijgen. Dan zou je hem als informant kunnen opnemen.” De voorzitter: “Heeft u op dit moment politieambtenaren als informant ingeschreven?” De heer Jacobs: “Dat zou alleen kunnen in zo'n geval.” De voorzitter: “Dat vroeg ik niet. Heeft u op dit moment politieambtenaren als informant ingeschreven?” De heer Jacobs: “Dan gaat het om eenmalige informatie of informatie die een paar keer wordt verstrekt. Die politieman wordt dus niet gerund.” De voorzitter: “Heeft u runners uit andere regio's als informant?” De heer Jacobs: “Nee.” De voorzitter: “Vroeger wel?” De heer Jacobs: “Het is wel eens voorgekomen.” De voorzitter: “Mijnheer Jacobs, bent u in feite, zelfs met die goede resultaten, toch gehandicapt doordat u zo weinig kunt?” De heer Jacobs: “Niet echt gehandicapt, maar het kan altijd beter en daar streven we ook naar. Ik denk dat de verhouding, zoals hij ook al zei, tussen CIE-rechercheurs en tactische rechercheurs nog niet de juiste is. Wij hebben nu 40 CIE-rechercheurs in Amsterdam. Ik denk dat dat nog te weinig is om een beter beeld van de informatie te krijgen.” De voorzitter: “Wordt met extra bevoegdheden uw werk nu veel beter?” De heer Jacobs: “Het is niet alleen van bevoegdheden afhankelijk. Er zijn een aantal dingen op de rails gezet, heb ik begrepen, onder andere de kroongetuige. Ik weet niet of dat weer gaat werken, maar in ieder geval staan dat soort dingen op de rails. Dat lijkt mij een goede zaak. Alleen, bij elke zaak zal apart bekeken moeten worden of er zo'n nieuw middel ingezet kan worden.” De voorzitter: “Dank u wel.”

Om twintig over elf was het verhoor voorbij. 

De conclusies van de parlementaire commissie waren dat de opsporingsmethoden niet door de beugel konden omdat ze nauwelijks te sturen of te controleren waren, dat veel politiekorpsen wel een nieuwe korpsleiding konden gebruiken en dat de politieleiding zich onvoldoende realiseerde dat zij onder het gezag van het O.M. en de burgermeester stond. Hoewel John Jacobs niet met name werd genoemd in de conclusies, stelde de enquêtegroep voor het zogeheten geheime CIE-traject - de fase waarin politie informatie vergaart die niet in processen- verbaal komt te staan - af te schaffen. “De rechter, en later de verdachte, moet in principe kennis kunnen nemen van alle gebruikte opsporingsmethoden. Vergaande tactieken, zoals de gecontroleerde doorlevering van drugs, burgerinfiltratie en een kroongetuigeregeling worden door de commissie afgewezen.”

 

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...