Requiem

Een wreedaardige seriemoordenaar maakt de Nieuwe Wereld onveilig. Door zijn hand vallen regelmatig slachtoffers aan de rand van de zustersteden Tokio en Sanctuary. Yukiko Mitsokai heeft ook famileden verloren door deze moordenaar. Samen met Stephen March en een groep van vrienden zullen zij proberen om deze psychopaat te stoppen.

0Likes
0Comments
2398Views
AA

33. 33.

 

33

 

            Eagle Eye had in zijn eentje het plan opgevat om Masowa op te sporen. Zijn bedoeling was om te vragen of deze iets meer wist over de seriemoordenaar daar vele van de slachtoffers in de streek gevonden waren waar de Kannibalen hun voedselraids pleegden. Hij had bij de rots waar het meisje die hij ooit gedood had een boodschap achtergelaten. Een vraag om audiëntie bij de vermoedelijke leider van de Kannibalen. De volgende dag was het bericht verdwenen. Hij wist dat Masowa het had gevonden. Eagle wist dat het nutteloos was om het nummer van zijn mobieltje te vermelden want zover hij wist, schuwden de Kannibalen het gebruik van elektronische apparaatjes.

            De volgende morgen was er al een antwoord. Een paar korte zinnen die op een verkreukeld stuk van een tijdschrift waren gekrabbeld. Eagle Eye die niettegenstaande hij voor geen kleintje vervaard was, moest even slikken.

 

            Vanavond na zonsondergang aan de rots. Kom alleen of draag de gevolgen.

 

            Hij was van plan geweest om Ji in zijn plannetje te betrekken en hem als back-up mee te vragen. Gelukkig had hij hem er nog niet over gesproken. Maar hij wou toch zeker zijn dat er iemand wist waar hij naartoe ging. Hij sprak een boodschap in zijn mailbox en plaatste er een tijdsnotitie bij. Als hij tegen morgennamiddag die boodschap niet zou geannuleerd hebben zou die door worden gezonden naar Ji Lang. Normaal gezien hadden ze op dat ogenblik weer een afspraak bij Gekko en als hij tegen die tijd niet terug was, zouden zijn vrienden tenminste weten wat er gebeurd was. Hij had in bijlage zelfs zijn laatste wilsbeschikking bij het bericht gevoegd. Hij wou niet zomaar in het niet verdwijnen zonder dat zijn Afrikaanse familie en kennissenkring in het duister zou tasten over zijn lot. Eagle Eye voelde dat hij zich op glad ijs waagde en daarom nam hij alle maatregelen. Je wist maar nooit, hij hoopte van niet maar moest het verkeerd aflopen, zou hij weten dat zijn vrienden het nodige zouden doen voor hem.

            Een uur voor zonsondergang was hij al aan de rots. Hij zette zich op de grond met zijn rug tegen de rots en met het gezicht naar het Westen en wachtte. Voor het donker werd legde Eagle Eye een vuurtje aan waardoor hij wat licht en warmte had. Na een uur hoorde hij het roepen van een uil. Blijkbaar was het een sein want een paar tellen later verscheen een grote gestalte in een lang bruin gewaad in de lichtkring van het kampvuurtje die een spookachtige schaduw over hem wierp. Masowa!

            Jérome bleef gewoon zitten voor zijn vuurtje. Niettegenstaande zijn hartslag lichtjes versnelde, probeerde hij zijn kalmte te bewaren en bleef zwijgen. Iro Masowa zette zich tegenover hem met het vuur tussen hen. De vlammen werden in zijn ogen weerspiegeld. Een blik vol vuur!

            ‘Het schijnt dat men je nu Eagle Eye noemt?’

Zijn stem klonk raspend hees. Hij was nog altijd even kaal als toen Eagle Eye hem voor het eerst had ontmoet. De sarcastische ondertoon in de stem van Masowa ontging hem niet. Probeerde de man hem op stang te jagen? Het zou hem niet lukken. Jérome zou zijn info krijgen en als Masowa hem niet zou laten gaan dan zou hij sterven en uiteindelijk de straf ontvangen die hij verdiende voor de dood van het meisje. Iets dat hem al zo lang in zijn dromen kwelde dat hij het eerder als een gerechtigheid zou beschouwen dan een jammerlijke zaak. Neen, angst had hij op dit moment niet meer.

            Masowa keek hem boven de vlammen van het vuur met zijn donkere ogen aan. ‘Je bent uit het goede hout gesneden, Jérome Shumbwa. Die dag heb je je straf als een man gedragen. Ik weet niet of ik je bionisch oog zou moeten verwijderen, maar dat zou nu niets meer uitmaken. Ofwel laat ik je gaan met dat oog…of in het andere geval blijven alle delen hier.’

            Eagle Eye keek hem over het vuur aan en sprak de woorden die hij al zo dikwijls in zijn hoofd had gehoord. ‘Masowa, ik weet dat ik nooit kan herstellen wat ik kapot heb gemaakt. Als je dan zoveel weet over mij, dan zou je ook moeten weten dat een leven voor mij heilig is. Geloof het of niet, maar iedere dag denk ik nog terug aan dat moment. Een ongeluk, ja, ik heb mij verdedigd, maar daarom gaan die gedachten die in mijn hoofd blijven rondspoken niet weg. Ik droom van haar. Niet van jou, jij hebt gedaan wat je moest doen. Maar ik zal mij ooit nog rekenschap moeten geven tegenover een Grotere Macht, sommigen noemen hem God. Ik noem hem soms Rechter en Beul. Waarom laat hij dit alles toe?’

            De kale man in de lange gewaad knikte. ‘Ik vraag mij dit soms ook af. In mijn hart weet ik dat het geen God is die dit toelaat. Het is de wreedheid van de mens, die geen God kent of wil kennen die achter al het slechte zit.’ Zijn stem verzachtte, ‘weet je, toen ik mijn vrouw verloor aan dit volkje, was ik zo opgefokt dat ik hier een slagveld heb aangericht waar ik ook nog dagelijks van droom. Ik heb meer gedood dan een klein meisje alleen. Het is me achteraf duidelijk geworden. Als alles wat bezonken was en ik geen zelfmoordneigingen meer had, wist ik dat het kwaad in de mens zelf ligt. Ik was even verdorven als de moordenaars van mijn vrouw.’ Hij stopte even met zijn verhaal. De blik in zijn ogen in het vuur gericht, zijn gedachten waarschijnlijk in het verleden.

             Na met een stok in het vuur gepord te hebben vervolgde hij zijn levensverhaal. ‘Ik werd gewond bij mijn wraakactie. Een vrouw van hen…een van die kannibalen, heeft mij verzorgd. Ik weet niet of ze het deed uit angst of uit ontzag voor mijn wapens. Maar ze heeft niettegenstaande ik haar kennissen en vrienden had opgeblazen mijn wonden verpleegd. Van het een kwam het ander, ik had geen zin meer in het leven, maar zag dat zij, die hier onder de grond leven als mollen, het nog veel slechter hadden dan ikzelf. Ze hadden geen zelfmedelijden maar sleepten zich voort, dag na dag, verder in een wereld zonder toekomst en probeerden gewoon te overleven. Er is een moment geweest dat ik de loop van een pistool in mijn mond stak en toch heb ik de trekker niet kunnen overhalen. Waarom niet? Hield ik nog zo aan het leven of had ik iets geleerd uit mijn fouten? Neen, ik begreep plots gewoon waarom de mensen hier waren. Zij waren de slachtoffers die door de maatschappij uitgestoten waren. Net zoals in vroegere tijden de melaatsen, als verschoppelingen der aarde werden afgezonderd van de rest van de wereld moesten zij hier hun laatste levensjaren in erbarmelijke omstandigheden slijten. Waar was ik dan met mijn zelfmedelijden? Neen, op dat moment is er in mij iets veranderd.’ Masowa pookte nog wat in het vuur dat dreigde uit te gaan en wierp nog wat sprokkelhout bij dat daar naast hem lag.

            ‘Masowa…?

            ‘Iro, zeg maar Iro, het is al zolang geleden dat ik mijn roepnaam heb gehoord dat je me daarmee een plezier zou doen.’

            Eagle Eye bekeek de man. Zo had hij het zich niet voorgesteld. Blijkbaar was Iro Masowa een man die veel over de dingen had kunnen nadenken. Hij was geen echte Kannibaal, die waren anders, wilder, onbetrouwbaar en men kon niet communiceren op een gewone manier. Was hij immuun voor de straling of had hij een geheime voorraad medicijnen? Het waren allemaal wel vragen die door zijn hoofd spookten, maar die op dit moment er niet toe deden.

            ‘Iro…het zal je niet ontgaan zijn dat er hier iemand rondwaart die genadeloos mensen in stukken snijdt. Mijn vrienden zijn familieleden en kennissen verloren door die slachter. Ik kan in zeker opzicht de raids van de Kannibalen begrijpen al keur ik het niet goed. Ze worden gedwongen in hun situatie tot onmenselijke praktijken. Als men van een mens een beest maakt kan je moeilijk verwachten dat hij zich anders gedraagt.’

            Masowa trok even de wenkbrauwen op maar glimlachte dan weer. Het was een van de gevolgtrekkingen die hij ook tijdens zijn verblijf in de Catacomben had gemaakt en het deed hem goed te beseffen dat een bewoner van de Nieuwe Wereld dit ook dacht.

            ‘Maar iemand die zomaar mensen afslacht,’ ging Eagle Eye verder, ‘zonder enige aanleiding, ze dan in stukken achterlaat en trauma’s veroorzaakt bij vredelievende mensen, mensen die ook zoals jij of ik denken, zo iemand moet tegengehouden worden. Daarom kwam ik naar je toe. Heb jij informatie die ons naar hem kan leiden? Weet je meer dan de Veiligheidsdienst of wijzelf? Alle sporen die we volgen lopen dood en we hebben dringend iets nodig die ons op zijn spoor brengt!’

            Iro Masowa keek bedenkelijk in het vuur. ‘Ik heb inderdaad van hem gehoord en er zijn er van ons die hem hebben gezien bij zijn werk. Het is een gevaarlijk man! Zijn wapen, een Nihonto, is een verlengstuk van die man. Het is een derde arm die hij met kennis gebruikt. Ik heb mijn mensen verboden zich in zijn nabijheid te begeven. Onlangs heb ik van een ontploffing gehoord, hier wat meer naar het westen. Ik heb de plaats laten verkennen, blijkbaar ben je een paar dagen te laat want daar had hij zijn schuilplaats. Alles is nu ingestort, het zou levensgevaarlijk zijn om je daar in te graven en sporen te zoeken. Maar ik kan je wel een tip geven. Een van mijn mensen heeft hier ook een Westerling gezien die achter hem aan zat. Blijkbaar is hun confrontatie tot een explosief einde gekomen. Er is een langeafstandsgesprek afgeluisterd tussen die man en zijn opdrachtgever. De moordenaar werd door deze Westerling Michael genoemd. Hijzelf, de westerling noemde zichzelf Jack, zijn familienaam heeft mijn man niet gehoord. Blijkbaar werd hij verwond door Michael en was hem ontvlucht. Die zekere Jack kreeg een adres om hulp te zoeken bij een dokter. Hij kreeg dit van een man met de naam Markus. Moet familie van hem zijn, volgens wat we uit het gesprek hebben kunnen uitmaken. Een tijdje later ging alles de lucht in. Ik  vermoed dat die Michael alles had ondermijnd en het boeltje heeft laten ontploffen om zijn sporen uit te wissen.’

            Dat was wel nieuws, maar of ze er wat meer zouden mee kunnen doen? Misschien kende Stephen een Jack en een Markus die verwant waren aan elkaar en die voor de Veiligheidsdiensten werkten in de Westerse Wereld. Daar zat misschien wat in.

            ‘Misschien kan het volgende ook van nut zijn. De man die je zoekt is een Euraziaat, jullie moordenaar is niet van zuivere origine. Geen Chinees, geen Japanner. Hij is van gemengd bloed. Gevaarlijk bloed! Zoals hij tekeergaat bij zijn slachtoffers moet hij niet goed bij zijn hoofd zijn. Een psychoot. Ik denk dat hij stemmen hoort, want mijn mensen hebben hem bij verschillende gelegenheden tegen zichzelf horen spreken en hij droeg geen oortje. Dat is alles wat ik weet.’ Hij knikte nog eens naar Eagle Eye. Er lag een vriendelijke blik in zijn ogen. ‘Het was deze keer een genoegen, Jérome Shumbwa. Hopelijk komt er geen volgende keer. Door de loop van de jaren kan ik namelijk niet meer zo goed tegen beschaafd gezelschap. Waarschijnlijk te lang in andere middens vertoefd. Vaarwel, het ga je goed!’

            Voor Eagle Eye nog iets had kunnen zeggen was Masowa opgeslokt door de duisternis en hoorde hij nog enkel de ‘gewone’ nachtgeluiden. Voor zover men de geluiden op een verlaten plaats, waar zoveel slachtoffers waren gevallen, waar bloed had gevloeid gewoon kon noemen!

 

……..

 

            Het was zo natuurlijk gegaan dat we er beiden achteraf toch verbaasd over waren dat we het zo vanzelfsprekend vonden. Na de rustgevende theeceremonie waren we naar mijn appartement gereden. Bij het binnengaan had mijn hand even langs dat van Stephen gestreken en we schrokken van het schokje statische elektriciteit dat tussen ons oversprong. ‘Hé, voelde je dat,’ zei Stephen, ‘er springen vonken tussen ons over.’ Op dat moment keken we in elkaars ogen en hoorde ik mijn hart bonzen in mijn keel. Ik voelde Stephens hand, nu zonder elektrische schok, zich onder mijn kin leggen. Hij duwde met zijn wijsvinger licht mijn hoofd omhoog zodat ik recht in zijn bruine ogen keek. Ik was zo dicht bij hem en rook een aftershave gemengd met de geur van de thee in zijn adem die ik hem had eerder had voorgezet. Ik keek hem aan en smolt weg in zijn ogen, hoorde niets meer of het was mijn hart en onze adem die dieper en sneller werd. Zijn lippen waren zacht en lief op mijn gezicht. Plagend kuste hij mijn oorlelletje en ging zo langzaam over mijn kaaklijn naar mijn wang tot hij heel teder mijn lippen kuste. Voor ik er erg in had, had hij mij in zijn armen genomen en werden onze kussen hartstochtelijker, onze handen ondeugender.

             Ik trok hem mee naar de slaapkamer terwijl ik zijn hemd onhandig opende. Hij had wat borsthaar maar veel minder dan ik had vermoed. Ondertussen had hij mijn shirt over mijn hoofd getrokken. We kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Het was een grotere ontlading dan het kleine schokje statische elektriciteit. Na een paar minuten lagen we zo naakt als we geboren waren in mijn bed. We verkenden elkaar als blinden, streelden elkaar opgewonden terwijl Stephen boven mij op torende. Hij was een beer van een vent, maar ik voelde geen angst voor hem. Zijn ogen straalden geluk uit, iets wat ik sinds de dagen die ik hem kende nog niet had gezien. Ik had dezelfde gevoelens voor hem. Eigenlijk als ik er eerlijk voor uit kwam, was ik al voor zijn charme gevallen de eerste dag dat we elkaar ontmoetten toen ik in de gang van zijn appartement op hem wachtte.

             Ik wist niet of dit liefde was of…lust, nu nog niet. Maar het was  het medicijn dat we beiden nodig hadden. Zijn erectie vond kloppend zijn weg zoals het voorbestemd was. Zijn handen streelden zacht mijn borsten en zijn vingers ontdekten mijn gevoelige plekjes. We gleden harmonisch in een ritme dat ons langzaam naar de extase van de bevrediging voerde.  We lagen nog lang stil in elkaars armen na te genieten. Aan elkaar geklampt als twee drenkelingen die warmte zochten bij elkaar. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Stephen kuste ze liefdevol weg en hield mij nog dichter. Met mijn hoofd op zijn borst hoorde ik de slagen van zijn hart. Een tempo dat eerst nog vlug ging maar naarmate de tijd vorderde, trager werd en zijn normale tempo vond. Het geluid werkte zo hypnotiserend dat ik als een kuikentje in een warm en veilig nest in slaap viel.

           Toen ik wakker werd, zag ik Stephen met een glimlach naar me kijken. ‘Weet je, Yukiko, je bent echt mooi. Ik zou uren naar je kunnen kijken zonder me een moment te vervelen.’ Ik voelde me op dat moment ook mooi en begeerd. Zeker als ik naar Stephens ogen keek. Zonder dat ik het wou, moest ik glimlachen. Had ik kleren aangehad, hij zou me op dat moment met die bruine kijkers uitgekleed hebben. Misschien sinds lang voelde ik in mijn binnenste iets dat mij warmte gaf, een gevoel van thuiskomen. Iets wat ik sinds de dood van mijn ouders had gemist.

           ‘Moet je wat te eten hebben? Ik kan iets voor je klaarmaken. Een omelet of zo, ik moet nog we wat verse eieren in de koelkast liggen hebben en met wat garnalen erdoor gemengd, zo eet ik dat het liefst. Hou jij daarvan?’

            ‘Mmm, doe maar een grote voor mij. Kan je honger krijgen van vrijen? Moeten we meer doen,’ plaagde hij me lachend en keek me na toen ik poedelnaakt uit het bed sprong en mijn kleren bij elkaar raapte. Toen hij de keuken binnenkwam met de neus omhoog de geur van de omelet opsnuivend, zag hij er anders uit. Er was een stukje hoop geboren in de laatste uren. We wisten beiden dat we geen rust zouden vinden vooraleer de moordenaar van onze familieleden achter de tralies zou verdwijnen. Als het aan mij lag zou hij nooit de binnenkant van een cel zien. Ik had iets beloofd en zo’n belofte was voor mij even bindend als de band van de liefde die ik nu voor Stephen voelde. Tegelijkertijd besefte ik dat Stephens roots aan de andere kant van de wereld lagen. Maar daar maakte ik mij op dit moment geen zorgen om. We hadden elkaar gevonden op een moment dat we elkaar nodig hadden en of het iets zou worden, zou de toekomst uitwijzen. Vandaag voelde ik de vlinders in mijn buik en ze fladderden van geluk toen Stephen op zijn omelet aanviel alsof hij in twee weken niet had gegeten.  Mmm, lekkere Stephen!

 

……..

 

            Norino had zijn beste pak aangetrokken. Niet dat dit veel van de andere die hij in zijn kast had hangen, verschilde. Het was het grijze pak van de Veiligheidsdienst waarvan men er een paar kreeg bij indiensttreding. Ondertussen had hij al heel wat pakken versleten. Zowel zijn pakken als hijzelf hadden hun tijd gehad. Zo dacht hij soms de laatste tijd. Hij zat op een bankje te wachten in het bureau van de secretaresse van de directeur van zijn sectie.

            Jiro Taketani was niet alleen zijn rechtstreekse baas maar ook lid van het hoofdbestuur. Norino Vastai zou de netelige kwestie van de moorden en de samenhang met de chipcultuur van de Oude Wereld met hem bespreken. Taketani zou dan beslissen of het nodig was om dit te bespreken in het hoofdbestuur.

            De secretaresse ging juist met haar hand naar haar oortje en hij veronderstelde dat ze het bericht kreeg dat de directeur klaar was om hem te spreken. ‘De directeur verwacht u, hoofdinspecteur Vastai.’

            ‘Arigato,’ bedankte Norino de dame die waarschijnlijk heel wat gevaarlijker was dan ze eruitzag. Ieder bestuurslid van de Veiligheidsdienst werd goed beschermd omdat ze niet zo door het gangstermilieu geliefd waren. Vele van hen hadden tijdens hun loopbaan Japanse Yakuza en Chinese Triades achter de tralies doen belanden. Zo’n mensen zworen wraak en er zat geen vervaldatum op hun dreigende beloftes.

            Norino wist dat het gebouw van het hoofdbestuur beveiligd was met honderden camera’s en veiligheidsgadgets die verborgen zaten in nissen en muren. Als het alarm afging zou een kever zelf niet meer ontsnappen uit dit gebouw. Soms gaf het hem wel de kriebels. Hij wist dat de lieftallige dame die hem de weg naar binnen wees, minstens een drietal gevechtssporten perfect beheerste en dat ze in een paar seconden een paar wapens boven zou kunnen halen die een onvoorzichtige ziel terstond tot andere gedachten zou brengen.

            ‘Do itashimashite, graag gedaan,’ antwoordde de dame met een lieve glimlach en duwde op een knop. Hij hoorde een klik en toen pas kon hij de deur openen die een korte gang onthulde die naar het bureau van zijn baas leidde. Hij kende de veiligheidsroutine. Oogscan,  vingerafdrukcontrole en stemverificatie en een tweede deur ontsloot zich na positieve herkenning.

            Jiro Taketani was een man die hij goed kende. Eigenlijk een beetje het tegenovergestelde van Norino Vastai. Hij was een tiental jaar jonger, maar heel wat slanker en fitter dan Norino. Als lid van het hoofdbestuur droeg hij een maatpak met een bijpassende das. Je kon hem door een ringetje halen. Zijn bureau was ook even vlekkeloos als de man zelf. Geen stapels dossiers of koffiebekers of theekommetjes die rondslingerden zoals op het bureau bij Norino. Er lag een tabletcomputer voor Jiro Taketani waarop hij juist nog iets had ingetikt.

            ‘Ohayou gozaimasu. Goedemorgen, kom binnen Norino, zet u. Iets te drinken, thee of wat frisdrank.’ De man kwam van achter zijn bureau en schudde de hand van Norino. Het was niet de eerste keer dat Norino hem bezocht en ze hadden het al altijd goed met elkaar kunnen vinden. Daarom ook dat Norino zijn ideeën of plannen vooraleer hij ze in de praktijk bracht af en toe kwam voorleggen aan zijn rechtstreekse baas. Trouwens, Jiro Taketani was ooit nog een aantal jaar zijn eigen hoofdinspecteur geweest. Jiro Taketani was altijd al een carrièreman geweest, dat had Norino altijd geweten. Het verwonderde hem dus niet dat hij vlug promotie had gemaakt en dat hij mede door invloed in hogere regionen het tot bestuurslid had geschopt.

            ‘Graag, een glas water als het kan,’ vroeg Norino. De directeur zwaaide even met zijn hand naar een wand en die schoof open en openbaarde een bar om ‘u’ tegen te zeggen. Ook een van de voordelen van zo’n positie. Hij wist dat Jiro nooit een druppel alcohol dronk, toch zag hij een aantal flessen staan die in een selecte barkast niet zouden misstaan. Waarschijnlijk kreeg hij soms nog ander bezoek die liever wat sterkers hadden.

            ‘Directeur…,’ begon Norino maar werd direct onderbroken.

            ‘Kom, mijn beste Norino, zeg maar Jiro.’

            Het was een steeds wederkerende vraag bij de bezoeken van Norino Vastai aan Jiro Taketani, maar Norino vertikte het om zomaar zonder toelating de voornaam van zijn baas te gebruiken.

            ‘We kennen elkaar goed genoeg om elkaar te tutoyeren,’ vervolgde Taketani. ‘We hebben in onze tijd toch samen een mooi aantal zaken opgelost en de maatschappij van een aantal misdadigers kunnen verlossen. Als dat geen reden is om elkaar met de voornaam te noemen, zou ik het ook niet weten. Met wat kan ik je van dienst zijn. Ik vermoed dat het om onze seriemoordenaar gaat, ben ik juist of ben ik juist,’ glimlachte de directeur die hem het glas water overhandigde en voor zichzelf er ook een uitschonk en met een magisch handgebaar de wand weer sloot.

            Nou ja, zo’n gadget zou Norino ook thuis wel willen, maar daar zou hij dan wel wat lekkere sake in bewaren.

            ‘Jiro, je weet dat we nu al een tijdje vast zitten in de zaak van de Akai-moorden. Laten we ze zo blijven noemen omdat ze vanaf het begin zo gecatalogeerd werden.’ Hij stopte even om de uitdrukking op het gezicht van de directeur te bestuderen.

            ‘Hoe bedoel je, mijn beste. Is er sindsdien iets gebeurd waarvan ik geen weet heb?’ fronste een verontwaardigde Taketani.

            Normaal gezien werd elke dag een overzicht van de lopende zaken doorgemaild door de centrale administratie van de Veiligheidsdienst naar het hoofdbestuur. Zo waren zij iedere dag ‘bijna’ up to date.

            ‘Vanavond zal er iets in dat rapport staan, waarvan ik je zelf op voorhand wou vertellen. Ik vond het te belangrijk om te wachten tot het rapport was opgemaakt. Een van mijn adjuncten,  zoals u al weet heeft ontdekt dat de MO van onze dader niet alleen toegepast wordt op Akai-mensen maar dat er ook slachtoffers zijn gevallen onder andere bevolkingsgroepen. Wat ik je persoonlijk wou komen vertellen was dat wij, dat wil zeggen ik en mijn beide adjuncten denken dat er een politiek geurtje aan gans deze situatie zou kunnen zitten!’

            De directeur dronk zijn glas leeg en vulde na een gebaar naar Norino nog eens beide glazen vol.’ Hoe bedoel je, heb je daarvan bewijzen. Is er een nieuw slachtoffer, een diplomaat of politieker?’

            ‘Neen, geen nieuwe slachtoffers. Maar we hebben kunnen nagaan dat alle slachtoffers ooit naar de Oude Wereld zijn gereisd en dus gechipt waren. Bij de meeste werd een poging gedaan om de chip te vernielen. Dus het zou kunnen zijn…let wel het is maar een theorie, dat de moorden gepleegd worden vanwege de mogelijkheden van die chip. Misschien, maar dat is een minder geloofwaardige piste, kan het zijn dat de slachtoffers iets gezien hebben op hun reis door de Oude Wereld dat niet voor hun ogen bestemd was. Minder waarschijnlijk omdat niet iedereen dezelfde plaatsen heeft bezocht. Ik kies eerder voor de eerste optie omdat men de slachtoffers zo verminkt om enerzijds de identificatie te vermoeilijken en anderzijds als afleidingsmanoeuvre voor het vernietigen van sommige delen van de chip. Als het zo is, onderschatten ze mijn mensen, want wij beschikken toch ook heel wat deskundigen die wat van de gegevens op de chips hebben kunnen lezen. Al waren het wel dan alleen de identiteitsgegevens van de persoon in kwestie, wat mij nog meer doet veronderstellen dat de chip meer dan alleen identiteitsgegevens en een sensor tegen fall-outzones bevat zoals men in het Westen beweert.’

            Jiro Taketani had aandachtig geluisterd zonder Norino Vastai te onderbreken. Norino wist niet of het zijn verbeelding was, maar de directeur was niet meer zo stoïcijns zoals in het begin. De uitleg van de hoofdinspecteur had hem de zenuwen bezorgd, dat kon Norino vaststellen. Het was trouwens een van de eigenschappen van een goed ondervrager om de lichaamstaal van iemand te kunnen lezen. Norino Vastai had bakken ervaring.

            ‘Ik ben blij dat je mij dat nog voor het rapport uitkomt, hebt komen vertellen. Gelieve je adjuncten opdracht te geven om dit feit “niet” te vermelden in het rapport….Uit veiligheid, mijn beste Norino. Ik maak zelf direct een memo voor de leden van het hoofdbestuur,’ en hij voegde de daad bij het woord en begon op zijn tablet een aantal zaken te typen en toonde het dan aan Norino. ‘Is dat ongeveer de strekking van wat je hier hebt beweerd? Zeg het gerust als ik er nog iets moet aan toevoegen? Ik doe dit, omdat anders dit gevoelige thema via jouw administratie zal gaan dat er een grotere kans is dat dit naar de pers en via hen naar de buitenwereld lekt. Dat moeten we zeker vermijden. Ik zet er een speciale groep op die deze optie moet uitspitten tot op het bot. Vanaf nu is dit gegeven een intern geheim. Gelieve je naaste medewerkers daar ook op te wijzen.’

            Norino was opgelucht. Een zorg die van zijn schouders was genomen. Jiro was een capabele directeur die niet voor niets zo vlug carrière had gemaakt. Hij zou zich beter bewegen in die politieke en diplomatieke spinnenwebben dan een gewone hoofdinspecteur die verlangde naar wat rust. Hij was maar een gewone man die zich thuis voelde tussen zijn eigen mensen van de Veiligheidsdienst en de taken die hij als hoofdinspecteur toegewezen kreeg. Al dat gekonkelfoes op hogere regionen was geen spek voor zijn bek.

            Ze namen afscheid van elkaar en Jiro beloofde Norino op de hoogte te houden als er nieuws was. Norino beloofde op zijn beurt Jiro als eerste te laten weten of er iets uit de deur aan deur bezoeken van zijn dienst uit de bus zou komen.

 

copyright Rudi J.P. Lejaeghere

 

 

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...