Bloeddorst

De gemeenschap van de nachtwandelaars, door de mensen vampiers genoemd, wordt in hun bestaan bedreigd. Een oud Kwaad is opgestaan, een dagwandelaar met onmenselijke krachten. Vreemde allianties worden gevormd om deze vijand te vernietigen. Vampiers, heksen en weerwolven slaan de handen in elkaar om deze wrede en bloeddorstige moordenaar een halt toe te roepen.

0Likes
0Comments
795Views
AA

13. 13.

 

 

 

13

 

 

            ‘Is er dan geen alternatief dat we met die bloedzuigers moeten samenwerken?’ Marcel Thibodaux was net als Mercedes geen voorstander van deze nachtwezens. Niet dat hij bang voor hun kracht was en ook niet dat hij zich superieur voelde. Weerwolven en vampiers pasten gewoon niet samen.

De nachtwandelaars waren als de dood voor een beet van een van zijn soort. Het betekende voor hen een langzaam verval en uiteindelijk einde van hun onsterfelijk bestaan. De beet van een weerwolf was vergif voor deze wezens van het duister. Het ontnam hen langzaam maar zeker al hun krachten, spreidde zich als een verlammende koorts door hun lichaam. In de laatste ogenblikken ontbonden ze op zo’n manier tot stof dat ze helse pijnen doorstonden vooraleer de leegte hen opslokte.

            Een weerwolf kon het zich ook niet permitteren om de tanden van een vampier in zich te krijgen. Het speeksel van deze nachtwandelaars bevatte een of andere stof die hen langzaam gek maakte. De genenstructuur van een weerwolf had een afweermechanisme tegen deze vreemde stof. Maar eenmaal gebeten kreeg de weerwolf na zijn eerste transformatie na de beet verschrikkelijke hallucinaties en werd het steeds moeilijker om uit zijn wolf-wezen terug te keren. De geest van wolf kan dan de werkelijkheid niet meer onderscheiden van de beelden die zijn ziek brein voor zijn ogen toverde en hij werd langzaam gek. Uiteindelijk resulteerde dit in de zelfmoord van het dier, een genadige verlossing voor de hel waarin het terecht was gekomen.

             Beide soorten hadden daarom respect voor elkaar en probeerden zoveel mogelijk elkaar te ontwijken. Het was daarom normaal dat Marcel niet echt stond te springen om als vierde man mee te gaan naar de Onderwereld.

            ‘Dat dood moeten zijn, zoals je zojuist uitlegde, dat is toch wel omkeerbaar?’ Hij keek met een serieuze blik naar Mercedes. Hij twijfelde er niet aan om zich te willen wreken voor het bloedbad die hun vijand had aangericht onder zijn soortgenoten. Dat stond als een feit boven water. ‘Als ik er het loodje bij leg, dan enkel terwijl ik aan het proberen ben om die slachter naar de hel te zenden.’

            Mercedes dacht even na voor ze antwoordde. ‘Ik ga je niet voorliegen, Marcel. De transformatie die ik over jullie en mezelf zal uitspreken is op zich niet echt gevaarlijk. Daar maak ik me absoluut geen problemen over. Het is de reis waar ik me echter zorgen over maak. De Onderwereld is een gevaarlijk gebied waar niet veel over gekend is. Wat ik van de geesten waarmee ik communiceer heb gehoord is op zich niet echt geruststellend. We zullen ieder moment op onze hoede moeten zijn. De plaats waar we zullen starten, een portaal tussen de wereld die we kennen en de Onderwereld ligt nog een eind van waar Charon aan de Styx op ons zal wachten.’

            Haar wolvenvriend liet zijn spieren rollen en wreef even met zijn grote hand door zijn bruinrode baard. Gerust was hij er niet op. Hij kon zijn mannetje staan als het op een gevecht aankwam in zijn mensengedaante. Hij was ruim een meter negentig en door zijn beroep als houthakker had hij de nodige macht en spieren gekweekt. Als mens was hij zacht van natuur al had hij een paar keer in zijn leven zijn kracht moeten gebruiken. Meer dan twee slagen had hij nooit moeten uitdelen om zijn tegenstander het zwijgen op te leggen. Als de wolf Rode Tand was hij befaamd om zijn snelheid, kracht en uithoudingsvermogen. De Onderwereld was echter een onbekende factor. ‘Zal ik daar ook kunnen transformeren? Ik bedoel, als je me eenmaal dood behekst hebt.’

            Nu lachte Mercedes wel. ‘Ja, je magische krachten zal je niet verliezen. Ik weet enkel niet hoe ze daar tot uiting zullen komen. De Onderwereld werkt niet zoals onze wereld. Het kan zijn dat je krachten zelf nog sterker zullen zijn of anders. Deze dingen zijn vaag en hebben geen concrete antwoorden. Sorry, dat ik je geen zekerheden kan geven. Maar we moeten dit proberen als we de twee doos van mijn moeder willen vinden en die slachter een eind willen toeroepen.

            ‘Hmm, zoals je zegt,’ gromde Marcel Thibodaux, ‘we hebben geen enkele keuze. Ik ben je vierde man, Mercedes. Daarvoor word ik zelf voor even de beste vriendjes met die twee bloedzuigers.’

            Mercedes knikte. ‘Oh ja, nog iets. Wil ze wel niet zo te noemen waar ze bij zijn. Onze reis zou anders plots misschien heel wat korter kunnen worden als bedoeld als ze op die koosnaampjes reageren.’

  

……….

 

            Dragosj had ondertussen niet stilgezeten. Hij had een verantwoordelijkheid tegenover zijn volk. Men had hem gekozen en vooraleer hij een opvolger zou kiezen, zou hij nog niet denken aan zijn reis naar de zon. Te meer dat hij niet zou kunnen rusten vooraleer de vijand van de nachtwandelaars zou gedood worden.

            Hij had niets willen zeggen tegen Diana of Julius, zelfs niet tegen de leden van de Raad van de Ouderen. Het drukte zwaar op zijn gemoed, maar hij wist wie de vijand was. Of toch een van zijn identiteiten. De geschiedenis van de nachtwandelaars ging ver terug en hij had heel oude perkamenten in zijn bezit die vertelden van de rode bloeddorstige kracht die huis hield in hun soort. De kracht was echter nog nooit zo sterk geweest. Hij wist echter niet hoe hij dit moorddadig wezen kon stoppen.

            Dragosj dacht aan zovele eeuwen terug, naar de tijd waar alles nog primitief was en waar hun soort nog aan het koloniseren was. Hun aantallen waren nog klein, maar hun kracht en invloed des te groter. Zijn vader en zijn broer kwamen terug in zijn herinnering, niet dat ze er ooit uit geweest waren, maar hij probeerde die gedachten altijd weg te duwen.

Vandaag kon hij dat echter niet meer. Zijn ouderlijk huis, het kasteel van zijn vader, was ondertussen samen met de man zelf vernietigd. Een mes door het hart van zijn maker terwijl zijn keel werd overgesneden had een einde gemaakt aan zijn eeuwenlange leven. Het kasteel hadden de dorpelingen en de zigeuners, wild van vreugde omdat een Texaan en een Engelsman hem hadden gedood, in brand gestoken. Het was het einde van een beroemde naam in Transylvanië.

            Zijn broer echter, hij die samen met hem van hetzelfde bloed gemaakt werd, hij die uit dezelfde moeder werd geboren, hij die tien keer bloeddorstiger was dan zijn eigen vader, leefde nog. Al was hij dan geen nachtwandelaar meer. Dezelfde perkamenten die nu voor hem lagen, had zijn broer ook gelezen en ontcijferd. Hij was geobsedeerd door de macht van deze bloeddorstige kracht. Zijn eigen mogelijkheden, ondanks het feit dat deze zoveel groter waren dan een sterveling, waren volgens zijn idee nog te beperkt. Hij zocht alchimisten op en raadpleegde waarzeggers en heksen die hem goed gezind waren. Hij beloofde hen alle wereldse schatten als ze hem aan die kracht konden helpen.

Dragosj had het hem uit het hoofd willen praten, maar het kon niet baten. Het enige wat Dragosj veroorzaakte, was dat zijn broer zich afzonderde in zijn eigen kasteel Boran in Roemenië en gewoon verder ging met zijn zoektocht. Het laatste dat Dragosj van hem gehoord had stond in een brief die zijn broer aan hem had gezonden.

 

Beste broeder, Dragosj, bloed van mijn vader,

 

Als je dit leest, zal ik machtiger zijn dan ooit iemand geweest is. Onze vader, moge hij rusten in de zon, was ooit gevreesd als geen een. Iedereen fluisterde zijn naam met eerbied en ontzag. Ik zal hem echter in mijn schaduw doen verbleken.

Ik heb het geheim van de rode kracht ontcijferd en met de hulp van oude magie zal ik deze kracht onderwerpen aan mijn wil. Mijn Rijk zal duizendmaal groter zijn dat dit van mijn vader. Mijn heerschappij zal zich laten voelen niet alleen tijdens de nacht, maar ook gedurende de dag. Niemand zal mij kunnen verslaan.

 

            Dragosj had de brief al zovele malen gelezen. Hij kende hem van buiten. Elk woord, elke zin brandde in zijn ogen, maar ook in zijn hart. Zijn broer was uiteindelijk volledig gek en megalomaan geworden door zijn obsessie. Dat was toch het idee dat hij gekregen had, toen hij voor de eerst deze brief had gelezen. Op dat moment wist hij dat het gewoon geen zin meer had om hierop te reageren. Zijn broer was voor hem verloren. Het deed hem pijn, want ooit had hij in zijn oudere broer de opvolger van zijn vader gezien. Dragosj was de jongste van hun twee geweest maar toen wist hij dat zijn broer nooit een goede leider zou zijn. Integendeel, met zijn visie en bloeddorstige heerszucht zou hij alles vernietigen wat hun vader ooit opgebouwd had.

            De laatste paragraaf van de brief van zijn broer had hem echter woedend gemaakt. Hij had zijn eigen trots en daarmee verbonden zijn verantwoordelijkheid tegenover de nachtwandelaars. Wat hij op het einde van het schrijven las, was een regelrechte bedreiging door zijn broer aan zijn adres en zijn soortgenoten.

 

Ik zal het je enkel één maal vragen, erken je Meester van nu af aan. Onderwerp je volk aan mijn macht en ik zal jou en de jouwe welkom heten in mijn Rijk. Voeg je binnen een week bij mij en we zullen de wereld vernietigen en volgens mijn visie weer opbouwen. Doe je dit niet, beste Dragosj, dan zal ik je verpletteren onder mijn voet als een niets betekende vlo. Want dat zijn zij, die mij niet volgen.

 

Vladimir

 

 ……….

  

            Aram Madding had de vinger aan de pols, figuurlijk dan gesproken, omtrent alle bovennatuurlijke gebeurtenissen in zijn stad Roskam en de omstreken. Hij was een specialist op zijn gebied. Niemand wist zoveel over vampiers, weerwolven, heksen en andere creaturen met magische krachten. Niet alleen was hij een bron van kennis over deze wezens, hij verfoeide hen als de nacht waar ze meestal te vinden waren.

            Met al zijn wetenschappelijke en technische snufjes beschouwde hij zichzelf een beetje als een tovenaar. Een hedendaagse tovenaar dan die kon beschikken over de beste afluisterapparatuur en de slimste software die het hem mogelijk maakte om zijn beroep uit te voeren. Hij had het altijd een voordeel gevonden wanneer mensen van hun hobby uiteindelijk hun vak konden maken.

Aram was een van de beste Jagers geworden. Hij joeg echter niet op klein wild als konijnen of fazanten, ook niet op groot wild. Hij was een dierenvriend en streefde voor het behoud van de tijger en de olifant. Hij zou deze prachtige wezens geen haar willen krenken. Neen, hij joeg op de wezens waarvan hij zoveel wist. Vampiers, weerwolven en heksen waren zijn prooi. Hij leefde echter ondergedoken. Door zijn beroep was hij nu eenmaal niet echt geliefd door de soortgenoten van zijn slachtoffers.

Hoeveel keer hij al van woonst of beter gezegd schuilplaats hij al veranderd was, wist hij niet meer. Hij kon het niet meer bijhouden. Uit veiligheidsoverwegingen verkaste hij altijd wanneer hij een nieuw slachtoffer had gemaakt. Het enige dat hij altijd bij hem hield was zijn gereedschapskist. Daaruit haalde hij zijn wapens om het wild te vangen en te doden waarop hij joeg.

Een repeteerbuks die hij had omgebouwd die zilveren pijltjes afschoot die effectief waren tegen zowel vampiers als weerwolven had hem al menig maal het leven gered. Hij had eenzelfde type in een zwaar pistool, dat op dichtere afstand kon dienen. De zilveren netten gebruikte hij enkel als zijn prooien eerst wilde vangen om hen inlichtingen af te dwingen. Inlichtingen die hem kon leiden naar soortgenoten of een nest van een van hen. Hij had zilveren dolken, boksbeugels en zelfs kogels die hij zelf goot. Het hielp natuurlijk dat hij enige zoon was van een overleden multimiljonair en zo zijn kostbare hobby/beroep kon bekostigen.

            Hij kon niet zonder die actie, zonder de adrenaline van de zoektocht, de achtervolging en het doden van zijn prooi. Soms ook het gevecht. Tot nu toe had iedereen voor hem in het stof moeten bijten. Het was een gevecht op kleine schaal. Hij kon het moeilijk opnemen tegen groepen van deze nachtwezens als enkeling alleen. Een tweetal of zelfs drie van deze verachtelijke creaturen kon hij wel aan, mits een goede voorbereiding. Hij zou nooit zijn hand overspelen, de dood was nooit genadig.

            Voor de heksengemeenschap maakte hij echter een onderscheid. Hij wist dat er ook goede heksen bestonden. Mensen die gebruik maakten van de natuur en de krachten van de natuur om hun medemensen te helpen. Voor deze soort mensen had hij respect en hij zou ze geen haar krenken. Voor de rest van hen, zwarte magie beoefenaars had hij geen pardon. Zijn gezegende objecten deden hetzelfde wat de zilveren wapens bij de wolven en de vampiers veroorzaakten. Zij vernietigden diegene die met de duivel heulden, die ’s nacht zwarte kaarsen branden en vervloekingen en plagen over de mensen opriepen.

            De laatste tijd had hij echter opgemerkt dat de bewoners van de nacht heel wat voorzichtiger waren dan anders. Hij kon hen veel moeilijker op een fout betrappen en meestal zorgden ze niet alleen te zijn. Ze waren op hun hoede.

            De nacht van de uitmoording in Roskam van het nest vampiers was hij uiteindelijk getuige geweest waarom dit allemaal was. Hij had de man die binnensloop in het gebouw voorzichtig gevolgd en had de kreten en getier in de kelder van de zieltogende nachtwandelaars gehoord. Ondanks dat hij gehard was door de strijd, kreeg hij kippenvel. Dit was een nieuwe vijand. Een vijand die hij nog nooit was tegengekomen. Iemand waar zijn normale wapens hem niet zouden helpen. Hij sloop voorzichtig terwijl hij de kreten achter hem verder hoorde, naar buiten en ging naar huis. Aram Madding wist dat die man geen Jager was zoals hij. Hij deed het niet om de maatschappij van ongedierte te ontlasten. Deze man deed het omdat hij het kon en om zelf de ultieme schrik van de Nacht te worden.

 

 

© Rudi J.P. Lejaeghere

03/05/2015

 

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...