Een Wereld Van Verschil

Het was precies 4514 jaar, 3 maanden, 24 dagen en 33 seconden geleden sinds De Vernieuwing aan de macht was gekomen. De vernieuwing: het systeem dat alles had veranderd; De mensen, de dieren, de planten, onze hele planeet... Alles was vanaf dan anders. Anders. Het is maar wat jij dacht dat 'anders' was.

0Likes
1Comments
181Views
AA

5. Zij

Ze komt overal terug; in mijn dromen, weerspiegelingen in het water, lichtflitsen door de bladeren van de bomen heen. Het zwart gordijn van dikke, golvende haren dat voor haar ijsblauwe ogen vallen. Haar zacht afgeronde lippen die felroze afsteken op haar bleke huid als van ivoor. Elke keer wanneer ik mijn ogen sluit zie ik haar. Het klinkt best absurd, maar toch, ik weet dat ze bestaat. Ik ken haar. Ergens loopt ze rond, ergens word ze nu net zoals ik wakker, rekt zich uit en opent har dromerige ogen. Onschuldig en lief, zou ze naar me lachen, wanneer ik haar wang kus. Ik zou mijn vinger met de hare samenvlechten en slaperig in bed blijven liggen tot in de eeuwigheid. Met haar lichte gewicht dat op mijn borst rust zou ik in slaap vallen, en nooit wakker worden.

 

Ik hoor een bel. Een verschrikkelijk geluid jaagt door de buurt en ik hoor mensen ontwaken. Gordijnen openen en voeten slijten langs mijn tent. Geeuwende parades slenteren door de omgeving en ik vraag me af of het de bedoeling is dat ik opsta en met ze mee moet lopen. Ik besluit mijn kans te wagen en kruip onder de dekens vandaan, waar ik het kleine flesje onder terugvind die ik zorgvuldig in mijn broekzak wegstop. Voor het eerst in dagen sta ik recht. Ik strek mijn benen die verassend stabiel aanvoelen. Mijn broek is op verschillende plaatsen gescheurd en mijn shirt is verdwenen, maar het zal volstaan. Mijn schoenen kan ik ook nergens meer terugvinden dus ik loop op blote voeten mijn tent uit, niet wetende wat ik moet verwachten. Wanneer ik het gordijn open valt het zonlicht binnen en verblindt me voor enkele seconden, dan blijf in de tentopening staan en aanschouw het tafereel.

Mijn adem stokt.

Ik zie tientallen mensen met tafels en stoelen sleuren die van alle kanten tegelijk lijken op te duiken. Mannen en vrouwen lopen naast elkaar, met elkaar, door elkaar en zelfs onder elkaar. Ik kan mijn ogen niet geloven. Gisteren was ik te zwak om veel aandacht te hechten aan het feit dat ik door een vrouw geheeld werd, maar nu zie ik alles en dringt het stilaan tot me door. Iedereen is vrij. Een paar kleine kinderen lopen halfnaakt tussen de bende door terwijl ze lachend over de uitstekende boomwortels springen. Een groepje vrouwen sleurt met grote kannen water terwijl een paar jonge knapen met potten, gevuld met lepels, zeulen. Het is vroeg. Zo vroeg dat het dauw van het gras mijn voeten en de onderkant van mijn broek natmaakt. De eerste lichtstralen breken door het wolkendek heen en een frisse bosgeur hangt in de koude wind. Mijn tent, merk ik nu pas, is een ingenieus werkstuk van paaltjes die aan een dikke boom zijn aangesloten en een dak van ineengevlochten, dunne takjes. De stoffen gordijnen zijn de enige materialen die niet natuurlijk lijken. Wanneer ik verder om me heen kijk, merk ik dat alle tentjes op dezelfde manier gebouwd zijn. Ze zijn allemaal aan een eigen boom vastgehecht. Heel de omgeving bestaat uit een dicht bos dat vol staat met hoge, eikenbomen. Het vroege zonlicht straalt op sommige plekken door de bladeren heen. Alles ziet er prachtig uit. Adembenemend, is het. Een gevoel van blijdschap en energie overspoelt me. Op mijn rammelende maag na, voel ik me geweldig, fantastisch. Ik heb het gevoel dat ik elk moment kan gaan zweven over dit paradijs. En heel even maar denk ik dat ik dood ben, en dit moet de hemel wel zijn. Ik knijp in mijn vel en wrijf in mijn ogen om er zeker van te zijn dat ik nog leef. In Omega-basis had ik nooit eerder bomen gezien, of natuurlijk zonlicht. De wereld is namelijk zo vervuild, dat er een constante, grijze wolk over onze basis zweeft. Nooit had ik gedacht dat ik buiten de muren van Omega basis deze schoonheid zou tegen komen. Van kleins af aan ben ik opgegroeid binnen de muren van Omega-basis. De enigste keer dat ik ooit buiten ben geglipt, was toen ik 15 was. Jake, zo noemde hij, had me uitgedaagd. Hij zei dat ik het niet durfde en als de stomme, maar dappere jongeman die ik was, ben ik aan de zuid-vleugel, waar de muur half was afgebroken, over de muur geklommen. Wat zich buiten de muren bevond, was een mysterie. Velen verspreidden theorieen over vulkanen of woestijnen, het einde van de wereld, ultieme duisternis en vergetelheid. Maar ik, ik had werkelijk gedacht dat ik sneeuw zou zien. Echte sneeuw, zoals het in mijn geschiedenis boek beschreven stond; koude, zachte regen met een vaste structuur. Men zegt dat de mensen van vroeger hun tong uitstaken om de sneeuw op te vangen en dan door te slikken. Kon het lekker izjn dan?Het idee heb ik altijd al fascinerend gevonden.

Hoe dan ook, wat ik echter wel tegenkwam, had ik nooit zien aankomen. Ik had nooit gedacht dat het grootste geheim van onze hele samenleving zo simpel kon zijn. Stenen blokken, die volgens mij ooit de huizen moesten voorstellen van de vroegere mens. Het beeld staat voor eeuwig in mijn geheugen gegrift; lege straten met vervallen gebouwen, die bijna niet meer te herkennen waren, spookachtige velden, bezaaid met graven. De doodse stilte en bedorven geur, de leegte en levenloosheid. Akelig. Nog iets vreemd aan de vroegere mens: ze bewaarden hun overledenen in de grond in houten kisten, het nut daarvan heb ik nooit gesnapt.

Dan weerklinkt er in de verte het geluid van een onbekend instrument en een lage, grauwe, maar warme mannen stem dei volgens mij aan het zingen is. Ik schud de herinneringen weg en besluit om de mensenmassa te volgen en loop met hen mee in de richting van het geluid. Mijn blote voeten slenteren over het vochtige, maar zachte gras. Ik loop om en tussen de bomen heen naar een open plek die volledig gehuld is in zonlicht. Dan pas zie ik de hemel; de echte hemel, hoe hij er uitziet volgens de vele boeken die ik heb gelezen. Hij ziet niet grijs, zwart of wit, maar blauw. Echt blauw. Ik kan mijn ogen niet geloven en staar er naar tot ik mijn evenwicht bijna verlies. Dit kan niet echt zijn. Een uitgestrekte blauwe vlakte, maar dan op zijn kop. Geen wolken, of mist, of damp, of rook, of vreemde gassen of wat dan ook. Alleen maar een zuivere, blauwe hemel. Ik had werkelijk gedacht dat die niet meer bestond. Veel tijd om het fenomeen te aanschouwen heb ik niet want al snel word ik opgemerkt door Logan die naar me toe komt spurten. Half buiten adem strompelt hij voor mijn voeten neer. “Tjonge Will, doe me dat nooit meer aan! Ik dacht dat je ontsnapt was of zo iets!” “Geloof me, als ik dat al wilde, zou ik nog niet weten hoe.” Ik lach naar hem, automatisch, zonder er bij na te denken. Het voelt goed. Op dat moment vraag ik me af hoe lang het al wel niet geleden is dat ik naar iemand heb gelachen, gewoon om vriendelijk te zijn. Het is iets wat nauwelijks nog voorkomt in deze tijden. “Dus, je hebt jezelf blijkbaar al een rondleiding gegeven door stam-c he? Geen probleem, dan kan ik dat meteen al van mijn agenda schrappen voor vandaag.” “Uhm Ik- ” “-Kom volg me, ik zal je voorstellen aan de rest van de stam. Geen paniek, het zijn allemaal aardige mensen.” Logan neemt mijn schouder beet en sleurt me verder de open plek in terwijl hij zich tussen de massa door wringt en een hele hoop mensen aan de kant duwt met onbeleefde opmerkingen. Het haalt weinig uit aangezien ik groter ben dan hem, maar ik laat hem doen. Wie ben ik om een dappere man zijn dag te verpesten? “Als ze je vies aankijken, niet schrikken. Dat doen ze meestal bij de nieuwe uitlopers maar geloof me, na een tijdje raken ze wel aan je gewend.” legt hij uit alsof hij dit al honderden keren heeft moeten uitleggen. “Hoe bedoel je? Waarom zouden ze me vies aankijken?” “Kerel, je hebt nu ook niet bepaald de properste achtergrond van iedereen.” Ik kijk hem aan met een lege blik. Logan zucht als hij door heeft dat ik het niet snap. “Will, je komt uit het systeem weet je nog wel? Een week geleden zou je onze hele stam waarschijnlijk nog graag hebben uitgeroeid voor je domme systeem. Helaas, is dat nu niet de beste optie die je hebt, aangezien wij je hier in leven houden. En we het teken in je schouder hebben gebrand. Op die manier zouden ze je meteen excuteren als ze zagen dat je een van ons was.” Dan sijpelt het tot me door. Ik ben een soldaat van de vierde orde, op missie gestuurd om illegale activiteiten op te doeken en op dit moment bevind ik me natuurlijk midden in hun stam. Ik heb deze keuze niet zelf gemaakt, maar iemand heeft in mijn plaats ervoor gekozen om me te laten leven. Ze hebben me in leven gehouden, en daar ben ik hen eeuwig dankbaar voor. “Oh, juist dat ja …” mompel ik dwaas. “Inderdaad.” Logan lacht en geeft me een klap op mijn rug. “Maar maak je geen zorgen, de meisjes zijn heel aardig, als je snapt wat ik bedoel.” Logan lacht en knipoogt naar me wanneer hij zich omdraait en naar een paar meisjes zwaait. De meisjes beginnen te chiggelen en zwaaien verlegen trug. “Uhm-” “Geen zorgen, ik stel je wel voor. Je raakt snel gewend aan de vermenging van man en vrouw.” Ik besluit er verder niet op in te gaan en loop door. Wanneer we bij de bron van de muziek aankomen weet ik wie daar zo prachtig speelt, het is de oude man van gisteren avond. Hij tokkelt op een instrument dat ik nog nooit eerder heb gezien. Het lijkt wel een met klimop beklommen houten kast met allemaal witten en zwarte knoppen erop. Het geluid is zacht en melodieus, maar er zit toch een zekere kracht achter. Het aanzicht van de oude man, die vannacht nog zo knorrig leek, maar nu uit volle borst meezingt met de melodie, laat me vanbinnen helemaal warm worden. De jeugdige en natuurlijke energie die hier in het de stam rondhangt is onbeschrijfelijk, en ver van de grauwe sfeer die ik in de betonnen straten van de thuis bassis kan terugvinden. “Carlos, mijn beste.” begroet Logan de oude man – blijkbaar Carlos – terwijl hij op het tabled van de kast slaagt en uit het niets, luidruchtig, ongegeneerd en vooral vals mee begint te zingen met het voor mij nog onbekende lied. Hij blijkt niet de enige te zijn. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt me wanneer ik me realiseer dat iedereen wel mee lijkt te zingen. Zelfs een oude dame die een veel te zware tafel aan het versleuren is perst de woorden uit haar keel. Ik kijk om me heen op zoek naar bekende gezichten, maar die vind ik niet. Het enige wat me opvalt zijn de twee jongetjes die hoog in een eikenboom zijn gekropen en half uit de boom hangen, waar ze zo te zien een hele verdedigingsuitrusting hebben gebouwd. Ik moet mijn lach in houden bij het uitzicht. De een lijkt er werkelijk alles aan te willen doen om da ander van een van de laaghangende takken te duwen. Dan zie ik het. De zwarte en de rode vlek. Nu pas kan ik hun gelaatstrekken goed zien. De roodharige jongen is bedekt met sproeten en heeft een wipneus. De rode krullen op zijn hoofd liggen in de war en vallen voor zijn ogen. De jongen met het zwarte haar heeft een donkere huid en, net zoals de rode vlek, een verwilderde bos haar dat voor zijn ogen valt. Beide hangen ze in de boom met niets anders dan een korte, afgerafelde broek. Net wanneer een van de twee op het punt staat om uit de boom te vallen, hebben ze door dat ik naar hen sta te kijken. Even denk ik dat ik weg moet kijken, maar wanneer ze me openlijk terug aangapen, kan ik niets beter bedenken dan ze terug aanstaren. Op dat moment kruipt de rode vlek uit de boom en laat zich van de laatste twee takken vallen en beland met een indrukwekkende sprong op zijn voeten. Hij loopt naar me toe met een grijns vol ontblote tanden en sproeten die vriendelijk lachen. “Kijk, Jake, de uitloper is wakker en hij leeft!” Jake, de jongen die had gewed dat ik het zou halen, springt zomaar uit het niets in mijn armen in een omhelzing. Ik heb geen idee of ik die moet beantwoorden of niet, dus vang ik hem maar op en dan volgt er een ongemakkelijke klop op de rug van de kleine jongen. “Wil heette je, toch?” Ik probeer geen aandacht te geven aan het feit dat hij mijn naam kent en mompel een antwoord. “Uh-Ja” Ik plak mijn woorden aan elkaar en er komt een nauwelijks verstaanbare klank uit mijn keel. Ik zou mezelf wel kunnen slaan, maar het jongetje begint te lachen en te springen alsof ik een vriend ben die hij in jaren niet meer heeft gezien. Wanneer Jake naast hem komt staan, kijkt hij hem verwachtingsvol aan, maar Jake blijft verscholen achter de schouder van Robin. Op de een of andere manier ben ik er in geslaagd om een fanclub op te bouwen die samengaat met een hoop haters, enkel en alleen door wakker te worden. “Will, ik kan je een rondleiding geven! Ah toe! Mag ik je rondlieden?” vraagt 

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...