De rus

Synopsis: Marco Hendriks, een jonge Amsterdammer, wordt politieagent in Amsterdam en belandt in het criminele milieu. Hij wordt benaderd door John Jacobs, de chef van de Criminele Inlichtingendienst (CID), die hem laat infiltreren in de Joegoslavische maffia. Jacobs verzamelt belastende informatie tegen hooggeplaatste figuren en krijgt steeds meer macht in de politieorganisatie. Op een gegeven moment vindt commissaris Edwin Bloem, een vriend van Jacobs, het welletjes. Jacobs is een gevaar voor de rechtsorde en moet worden gestopt. Maar het lijkt te laat te zijn. Door zijn terreurbewind is Jacobs oppermachtig.

0Likes
0Comments
1106Views
AA

2. Heidi is de grootste crimineel van Nederland

Toen Marcus was toegelaten tot de politieopleidingschool moest hij zich als eerste een uniform laten aanmeten bij een speciale kleermaker in de stad. De opleiding tot agent bij de gemeentepolitie duurde een jaar. De nadruk lag op de echte politievakken (wetskennis, strafrecht en strafvordering, opsporingsleer en het schrijven van processen-verbaal) en sport. De opleiding viel op te splitsen in vaktechnische opleiding, lichamelijke vorming en mentale vorming, terwijl er weinig aandacht was voor sociale vaardigheden en de bestudering van maatschappelijke ontwikkelingen. Het lesmateriaal bestond voornamelijk uit het 7-delige Leerboek voor de Politie van Stapel & De Koning, waarvan Marcus niet geïnteresseerd was in burgerrecht, wegenverkeerswet en staatsrecht, maar des te meer in opsporingsmethoden, strafrecht en strafvordering. “Heidi is de grootste crimineel van Nederland,” placht de docent strafrecht te zeggen. Hij zei dat al twintig jaar tegen elke nieuwe lichting aspiranten, en al twintig jaar moesten zijn leerlingen er om lachen. Het grapje had betrekking op het Wetboek van Strafrecht, waarvan de leerlingen van de politieschool de belangrijkste artikelen uit het hoofd moesten kunnen opdreunen. Wanneer de docent “diefstal” zei, moest de aspirant daarop moeiteloos kunnen antwoorden: “Artikel 310 Wetboek van Strafrecht. Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.” De meeste artikelen van dit wetboek begonnen met “Hij die…”.  Marcus behaalde zijn rijbewijs op de politieschool, zodat hij op zijn 18e verjaardag legaal een auto mocht besturen. Het internaat was gelegen op het terrein van de politieschool Noord-Holland aan de Sloterweg in Amsterdam-West, tien minuten fietsen van Marcus’ huis. Aspirant-agenten van buiten de regio Amsterdam waren verplicht om in het internaat te wonen en mochten zelfs in hun vrije tijd in het openbaar alleen in uniform verschijnen. Van overheidswege kregen alle aspiranten een dienstfiets verstrekt, en zij moesten zich te allen tijde laten vergezellen door ten minste één collega. Het publiek was doorgaans niet in staat om het verschil te zien tussen “echte” agenten en aspiranten, en op deze wijze leerden de aspiranten omgaan met de reacties van het publiek.

Marcus vond het maar niets, maar hield zich aan de regels. Met regelmaat nam hij een aantal collega’s mee naar huis die in het internaat verbleven, omdat het eten van zijn moeder (en het vlees van zijn stiefvader) aanzienlijk smakelijker was dan het internaatsmenu.

In de loop van het schooljaar kregen de aspiranten een wapenstok, handboeien, knevelketting en een vuurwapen. Met name met het vuurwapen moest uitvoerig worden geoefend, niet alleen schietvaardigheid, maar ook assemblage en onderhoud van het wapen. De meest vervelende onderdelen van de opleiding vond Marcus het exerceren en het wachtlopen. Hij wilde rechercheur worden, geen beroepssoldaat.

Discipline, of liever het gebrek daaraan, bleek Marcus in toenemende mate parten te spelen. Het was niet zo dat hij altijd ongedisciplineerd was geweest. Als kind kon hij goed omgaan met de regels die hem werden gesteld, omdat die regels zinvol waren en niet afwijkend van de regels die andere kinderen kregen opgelegd. Maar op de politieschool was dat anders. Daar ging men ervan uit dat de domste aspirant van de klas de maatstaf was van de wijze waarop de klas diende te worden benaderd, en dat ervoer Marcus als een belediging van zijn intelligentie.

Hij had er spijt van dat hij naar de Mulo was gegaan in plaats van naar het Amsterdams Lyceum in Oud-Zuid, want dan had hij nu op de politieacademie gezeten in plaats van op de politieschool. Dan had hij een veelbelovende carrière als politieofficier voor de boeg gehad, terwijl hij nu al wist dat hij het nooit verder zou kunnen schoppen dan brigadier, om hooguit als adjudant de dienst te verlaten. Hij had er de intelligentie voor, maar hij was zo stom geweest om liever te gaan voetballen dan te studeren. Het luie leven begon hem op te breken. Marcus vond de leerstof en het niveau van zijn mede-aspiranten ver beneden zijn niveau. Hij verveelde zich rot, miste de uitdaging en had het gevoel dat hij zijn tijd uitzat. Hij kon niet wachten totdat hij de opleiding had afgerond en aan de slag kon in de echte politiewereld, waar hij zich kon bewijzen. 

Na zijn opleiding aan de politieschool vond de korpsleiding dat Marcus nog wel wat discipline kon gebruiken, dus werd hij bij de Mobiele Eenheid ondergebracht. Hij moest daarvoor eerst een maand naar de ME-opleiding op de voormalige vliegbasis Woensdrecht.  Het Amsterdamse “Parate Peloton” van de ME, in politiekringen de “parate hap” genoemd, bestond uit jongens die net van de politieschool kwamen. Het Parate Peloton had twee teams van elk twintig man, plus kader. Het dienstverband bij de parate hap duurde vier maanden. Marcus had het gevoel dat hij in het leger zat. Zelfs het uniform met de kistjes deden aan het leger denken. Hij was betrokken bij het ontruimen van kraakpanden, en bij de Nieuwmarktrellen op Blauwe Maandag. Marcus zag met ontzetting hoe traangasschutters van de ME schoten op burgers die niet wilden dat er een metrolijn onder hun huizen werd aangelegd. Dit had niets met criminaliteitsbestrijding te maken, hier was hij niet voor bij de politie gegaan.

Na zijn diensttijd bij de ME mocht hij stage lopen bij het meest ongeliefde bureau van Amsterdam: bureau Mosplein in Amsterdam-Noord, dat door de meeste politiemensen “het boerendistrict” werd genoemd. De jonge agenten die daar waren geplaatst dienden eens per week een dienst te draaien in bureau Warmoesstraat, in de Rosse Buurt van Amsterdam, en dit beviel Marcus zo goed dat hij regelmatig diensten ruilde met collega’s om maar deel te kunnen uitmaken van het deel van de stad waar het zich allemaal afspeelde: drugshandel, prostitutie, wapenhandel, straatroof, etc.

Marcus was klaar voor de wereld.  

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...