De rus

Synopsis: Marco Hendriks, een jonge Amsterdammer, wordt politieagent in Amsterdam en belandt in het criminele milieu. Hij wordt benaderd door John Jacobs, de chef van de Criminele Inlichtingendienst (CID), die hem laat infiltreren in de Joegoslavische maffia. Jacobs verzamelt belastende informatie tegen hooggeplaatste figuren en krijgt steeds meer macht in de politieorganisatie. Op een gegeven moment vindt commissaris Edwin Bloem, een vriend van Jacobs, het welletjes. Jacobs is een gevaar voor de rechtsorde en moet worden gestopt. Maar het lijkt te laat te zijn. Door zijn terreurbewind is Jacobs oppermachtig.

0Likes
0Comments
1071Views
AA

1. Bij de kapper

Sinds Ajax in 1967 zowel de landstitel als de KNVB-beker had gewonnen hoefde Marcus Bruins van zijn ouders niet meer persé naar de kapper. Al die geweldige voetballers hadden immers ook lang haar, dus kennelijk was het geaccepteerd. Maar toen Marcus aankondigde dat hij bij de politie ging solliciteren, zei zijn moeder: “Lieverd, dan zou ik eerst maar eens een fris koppie gaan halen bij de kapper.” “Maar mama, dat kan ik altijd toch nog doen, als ik hoor dat ik ben aangenomen? Stel je voor dat ze me niet willen hebben, dan heb ik voor niks m’n haar laten knippen!” “Marcus, je moeder heeft gelijk,” zei zijn stiefvader. “Als je zo gaat heb je kans dat ze je niet serieus nemen.”

Dus nu zat hij in Amsterdam-West bij de kapper, tegenover de keurslagerij van zijn ouders. Er waren nog twee heren vóór hem en om de tijd te doden bladerde hij door de tijdschriften in de leesportefeuille. De Lach. Een beetje oubollig als je de Panorama kende, om van de Chick en de Candy maar te zwijgen. Zwart-wit foto’s van vrouwen in bikini en schuine moppen. Nu begreep hij waarom z’n stiefvader zo graag naar de kapper ging. Hij glimlachte bij die gedachte, maar trok zijn gezicht snel weer in de plooi toen hij zag dat de man die werd geknipt teruglachte in de spiegel. Het zou maar een flikker zijn…

“Als je lekker door de stad wil scheuren zonder te worden gepakt, moet je politieman worden,” had Erik Vrolijk, een vriendje van de Mulo die in de buurt woonde, tegen hem gezegd. Erik zat nu bij de motorbrigade van de Amsterdamse politie en had het daar prima naar z’n zin, maar Marcus voelde meer voor de recherche, het “echte werk”. Hij vond zichzelf geen type voor de uniformdienst, hoewel hij begreep dat hij daar zou moeten beginnen.

“Neem maar plaats, jongeman,” zei de kapper toen hij aan de beurt was. Terwijl hij een cape om hem drapeerde en zijn nek volpropte met ruw papier, waardoor Marcus bijna geen lucht meer kreeg, zei de kapper: “Zo vriend, da’s alweer een paar jaar geleden zeker hè, sinds jij voor het laatst bij de kapper was?” “Bijna vijf jaar,” antwoordde Marcus.

Hij kon het niet aanschouwen. Zijn lange manen werden rücksichtslos gekortwiekt. Dit was erger dan castratie. Hij dacht aan morgen, wanneer hij zich moest melden bij het bureau personeelsvoorziening van de gemeentepolitie aan de Hoofdstraat in Driebergen. Daar moest hij een geneeskundig onderzoek ondergaan bij de keuringsarts en vervolgens een schriftelijk onderzoek op algemene ontwikkeling en kennis van de Nederlandse taal bij het bureau werving. Dit alles zou zo’n drie uur in beslag kunnen nemen. Als hij door de eerste selectieronde heen kwam zou hij over veertien dagen terug moeten komen voor mondeling onderzoek, ook weer in Driebergen, te weten een onderhoud met de wervingscommissie, bestaande uit enkele officieren van de gemeentepolitie, gevolgd door een sportproef. Daarna zou hij binnen nog eens veertien dagen horen of hij was aangenomen als aspirant bij de gemeentepolitie Amsterdam. Of niet… Marcus had de zekerheid dat hij aan de toelatingseisen voldeed. Hij had geen strafblad, hij had zonder enige moeite de Mulo doorlopen en zijn diploma gehaald, en hij was in prima conditie, omdat hij als amateur bij Ajax voetbalde.

“Kort genoeg?” vroeg de kapper toen hij Marcus met een spiegel de achterkant van zijn hoofd liet bekijken. “Ja, dank u wel,” antwoordde Marcus. Hij zag er niet uit.

“Hé Marcus, wat een lekker rechts koppie heb jij!” riep een kennis toen hij de straat overstak om naar de slagerij te gaan. “Moest dat van je vader?” “Nee joh!” zei Marcus, terwijl hij zijn weg vervolgde. Niemand wist dat slager Hendriks niet zijn echte vader was, en Marcus praatte er liever niet over. Hij kon zich zijn echte vader niet herinneren en zijn moeder had hem verteld dat de man dood was en tijdens zijn leven niet wilde deugen. Op de lagere school en op de Mulo noemden de leerlingen en de docenten hem Marcus Hendriks in plaats van Bruins, een naam die alleen voorkwam op zijn rapporten en op zijn paspoort. Uiteraard had hij voor de sollicitatie bij de politie zijn officiële naam Bruins gebruikt.

“Rechts koppie?” Het zou Marcus om het even zijn. Hij gaf niets om politiek. Hij was geïnteresseerd in voetbal en gangsterfilms. Zowel in voetbal als in criminaliteit had je twee teams die elkaar bestreden, en dat was spannend. Marcus was een van de vele mensen die zich graag aansluiten bij – en identificeren met – het sterkste team, en als het om voetbal ging was dat Ajax. Voor zover Marcus het kon beoordelen was de politie de sterkste partij in de wereld van de criminaliteit, dus daar wilde hij ook graag bij horen, desnoods met een “rechts koppie”.

Marcus gromde wat toen zijn moeder en zijn stiefvader zijn nieuwe kapsel bewonderden. Vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer, op de tweede verdieping van het huis. Hij keek om zich heen en aanschouwde de smalle, langwerpige ruimte die zijn kamer was sinds hij het zich kon heugen. Twee meter bij drieënhalf, met een klein raam op twee meter hoogte, vlak onder het plafond. Als hij naar buiten wilde kijken moest hij op zijn bureautje gaan staan. Mocht hij worden aangenomen bij de politie dan zou hij zich een eigen woninkje kunnen veroorloven, met echte ramen, waardoor je de wereld kon zien.

Op zijn boekenplank zag hij “Ik, Jan Cremer” staan. Eerste druk. Als elfjarig jochie had hij het boek gekregen van een neef van hem, en hij had het in één ruk uitgelezen. En nog eens, en nog eens. Alles wat Jan Cremer had gedaan wilde Marcus ook doen. Sinds hij Jan Cremer had gelezen verlangde hij naar een avontuurlijk bestaan en naar lekkere wijven. Zijn eerste masturbaties waren het gevolg van een enorme geilheid die over hem kwam tijdens het lezen van Cremer. Daar was dat hoge raam dan wel weer goed voor, want niemand kon hem zien. Hij had het boek jarenlang verstopt in een doos met lego, want zijn moeder mocht niet weten dat hij Jan Cremer las. Dergelijke literatuur werd in huize Hendriks niet geduld.

Soms ging hij ’s avonds na het eten met een paar vriendjes van de Mulo naar de Wallen, om de hoeren te bekijken en een glimp op te vangen van pooiers en andere boeven, die in de cafés zaten te drinken en te gokken. Soms maakten ze ruzie en vochten ze op straat, maar de politie liet zich nooit zien. Dit was een wereld met eigen waarden en normen, een gevaarlijke maar fascinerende wereld, op één vierkante kilometer, te midden van de grote stad Amsterdam. Een wereld die zich evenzogoed in Hongkong kon bevinden, of in Singapore, Casablanca of Chicago. 

Marcus las de strips van Dick Bos, een detective met een voorliefde voor Oosterse gevechtsporten, en zo’n detective wilde Marcus ook worden. Dick Bos was een vijand van de onderwereld en Jan Cremer leefde op het randje van de illegaliteit, dus dat beet elkaar een beetje. De waarheid lag waarschijnlijk in het midden.

Wanneer je tussen de middag op de Wallen kwam zag je een heel andere wereld. De pooiers en gangsters lagen dan nog in hun bed hun roes uit te slapen, en de vrouwen voelden zich meer op hun gemak. Hoeren, winkeliers, glazenwassers en orgeldraaiers gingen vriendschappelijk met elkaar om, met humor, en het was een gezellige buurt. Marcus zou er best willen werken.  

Join MovellasFind out what all the buzz is about. Join now to start sharing your creativity and passion
Loading ...